Leidse Vereniging Voor Studenten AUGUSTINUS

Uitvergroten
L.V.V.S Augustinus - Leiden
Rapenburg 24 2311 EW LEIDEN Tel. 071-5162333 Restaurant Tel. 071-5162336

De geschiedenis van Rapenburg 24


Sinds 1926 is de Sociëteit van Sanctus Augustinus en haar opvolgers gevestigd aan het Rapenburg 24. Daarvoor heeft het monumentale herenhuis een twintigtal andere bewoners en eigenaren gekend. Dit waren voornamelijk rijke handelslieden of plaatselijke autoriteiten. 


Omstreeks 1544 was er voor het eerst sprake van Rapenburg 596, weliswaar nog niet als pand maar als achtererf van een huis aan de Papengracht (in 1872 kreeg het Rapenburg een andere huisnummering en kreeg het pand nummer 24 toegewezen). In 1631 kwam het pand in bezit van de Italiaanse bankier Tortarolis en vormde Rapenburg 24 het hoofdhuis ten opzichte van de Papengracht. Het pand aan de Papengracht deed na die jaren nog hoofdzakelijk dienst als koetshuis.


In 1749 onderging Rapenburg 24 een ingrijpende verbouwing. De toenmalige eigenaar, de rentenier Pieter Cypriaan Testart, kreeg in dat jaar de bouwvergunning voor de gevel. Ook het interieur werd in de nieuwbouw van 1749 meegenomen. De oudste delen van het huidige Rapenburg 24 dateren van deze verbouwing. In deze tijd zijn het hout- en stucwerk in het voorhuis en gang, de tochtdeur, het trappenhuis met houtsnijwerk aan de leuning en het stucwerk in de koepel aangebracht. Ook de schoorsteen en het stucplafond in de linker voorkamer stammen uit de verbouwing van 1749.


In 1855 werd het Rapenburg 24 betrokken door de meest voorname eigenaar die het pand gekend heeft: kroonprins Willem van Oranje, zoon van Koning Willem III. Hij woonde hier tot zijn afstuderen in 1858 met zijn gevolg en personeel.


Tussen1881 en 1923 werd het Rapenburg 24 bewoond door Petrus van Cranenburgh en zijn gezin. In deze periode werden de twee in wit marmeren uitgevoerde schouwen met bijbehorende kwikspiegels in de voor- en achterkamer aangebracht. De tuinkamer - de huidige Bestuurskamer - werd in neoclassicistische stijl gemoderniseerd en is grotendeels bewaard gebleven. In 1881 werden in opdracht van Van Cranenburgh door de schilder Jan van Dam de ‘witjes’ vervaardigd, tafereeltjes die typerend zijn voor panden aan het Rapenburg. Een van deze witjes is behouden gebleven en hangt in de Bestuurskamer; een replica hangt op de oorspronkelijke plaats. Toen de weduwe van de inmiddels overleden Van Cranenburg in 1923 overleed, werd het huis aan de N.V. Nationaal Grondbezit verkocht, die het vanaf augustus 1926 aan de R.K.S.V. Sanctus Augustinus verhuurde.


Het pand werd in de daaropvolgende jaren verrijkt met een biljartkamer en een leeszaal. In 1927 werd voor de vrouwelijke Augustijnen een Meisjeskamer ingericht, en in 1931 werd de tussenmuur in de woonvertrekken op begane grond doorgebroken waardoor een grote zaal ontstond. Op 30 december 1940 kwam er een voorlopig einde aan Augustijnse activiteiten in het Eigen Huis, toen de Duitse bezetter het pand confisqueerde. Na de oorlog was aanvankelijk een deel van het Rijksmuseum van Oudheden samen met Sanctus Augustinus gevestigd in het Eigen Huis, waardoor de Vereniging slechts over enkele ruimtesbeschikte. In 1946 werd de vooroorlogse situatie hersteld en was de Vereniging weer de enige huurder van het pand.


In februari 1948 werd de Vereeniging Eigen Huis omgezet in de Stichting Eigen Huis. Deze kocht in 1956 Rapenburg 24 van de N.V. Nationaal Grondbezit. Het Eigen Huis verkeerde in die jaren in een uitermate verwaarloosde en vervallen staat. In 1958 werd dan ook begonnen met de noodzakelijke herstelwerkzaamheden. Dit was enkel de aanloop naar een grotere verbouwing die plaats vond in 1968. Voor de gehele werkzaamheden was een som van vijfhonderdduizend gulden uitgetrokken. De voornaamste onderdelen van het project waren: de restauratie van trappen, plafonds, schouwen, deuren, en de voorgevel; een grote borrelzaal op de begane grond; een professionele mensa op de eerste verdieping; vijf dispuutskamers; een grote zolder voor culturele activiteiten; centrale verwarming; vernieuwde dakbedekking met dakterras; en een geheel nieuwe inrichting. Deze verbouwing is de meest ingrijpende die het pand heeft ondergaan onder bezit van de Stichting Eigen Huis. Op 3 mei 1969 werd Sociëteit Eigen Huis heropend.


Inde nacht van 24 op 25 januari 1978 ontstond er een grote brand bovenin het Eigen Huis, waardoor de zolders en een gedeelte van de tweede etage verloren gingen. De brand werd op woensdagmorgen om half negen ontdekt en woedde toen vermoedelijk al enkele uren. Niet alleen door de brand maar ook door het bluswater ontstond er veel schade aan het pand. De waterschade leidde ertoe dat niet enkel het bovenste gedeelte, maar het gehele pand gesloten moest worden. Gedurende negen maanden werden het dak en de voorzolders geheel opnieuw opgebouwd. De onderliggende ruimtes, waaronder de mensa en het plafond van de borrelzaal op de begane grond (Saint), moesten grotendeels gerestaureerd worden.


Sindsdien hebben er slechts kleine verbouwingen en restauraties plaatsgevonden. De Sociëteit bestaat heden ten dage uit meerdere borrelzalen, een publiek toegankelijk Restaurant, bibliotheek, archief en werk- en vergaderruimtes voor het Bestuuren de verschillende commissies en subverenigingen.